Het Turkije Instituut is sinds eind 2015 gesloten. Aanleiding tot dit besluit was het gebrek aan perspectief op nieuwe fondsen, mede in het licht van de ontwikkelingen in Turkije. De website (turkije-instituut.nl) is nog wel toegankelijk als informatiebron. Hierdoor zal althans een deel van de expertise die in de afgelopen acht jaar is opgebouwd behouden blijven.

Is de leugen schadelijker dan de daad?

20 april 2015 - Op 24 april a.s. is het 100 jaar geleden dat in opdracht van het Comité voor Eenheid en Vooruitgang, de feitelijke regering van het Osmaanse rijk, de intellectuele elite van de Armeense bevolkingsgroep in Istanbul werd opgepakt en afgevoerd, om nooit weer terug te keren. In de daaropvolgende maand kregen lokale overheden in de oostelijke provincies opdracht om alle Armeense burgers uit hun huizen te zetten en in konvooien bijeen te brengen voor deportatie. Veel mannen en jongens werden al direct buiten hun dorp of stad omgebracht. Juridische grondslag hiervoor was de wet op de verplaatsingen (mei 1915), die naar het inzicht van de bestuurders in Istanbul noodzakelijk was om te voorkomen dat de Armeniërs zich massaal zouden aansluiten bij Russische troepen, die aan het oostelijk front hun opmars waren begonnen. Met de successen van de westelijke geallieerden in zicht en het eigen trauma van de verdrijving uit de Balkan nog vers in het geheugen, leek het zuiveren van het Rijk van een potentieel vijandelijk volksdeel, de Armeniërs, een voor de hand liggende oplossing. Deze grootscheepse deportatie zou uiteindelijk leiden tot de dood van honderdduizenden, mogelijk zelfs 1,5 miljoen, Armeense Osmanen. Een bevolkingsgroep wier geschiedenis ter plekke teruggaat tot ver vóór dat de Turken zich vestigden in Anatolië. 

Honderd jaar later is de controverse over of deze tragedie kwalificeert als genocide (een term die overigens pas in 1944 werd gemunt) actueler dan ooit. De officiële Turkse opvatting (ja, honderdduizenden doden, maar naast veel Armeniërs ook veel slachtoffers onder Turken en andere etnische groeperingen) staat haaks op die van de meeste historici die zich, binnen en buiten Turkije, bezighouden met wat in het Armeens Medz Yeghern heet, de grote tragedie. De druk vanuit de Armeense diaspora voor formele erkenning is groot, zeker nu: honderd jaar na dato. De kansen dat óók de Republiek Turkije dit zal doen lijken kleiner dan ooit. De inspanningen van Ankara om te voorkomen dat regeringen, waaronder die van de Verenigde Staten, tot erkenning overgaan, zijn de afgelopen week duidelijk merkbaar, maar passen in een langere ontkenningstraditie.

Achtereenvolgende Turkse regeringen hebben een actief ontkenningsbeleid gevoerd voor zowel binnenlandse als buitenlandse consumptie, met name sinds 1975 toen de Armeense terreurbeweging ASALA begon met het plegen van aanslagen op Turkse diplomaten. Dat heeft ertoe geleid dat in Turkije het overgrote deel van de bevolking elke verwijzing naar het begrip genocide beschouwt als het werk van de Armeense diaspora die immers al decennia wereldwijd voor erkenning van de genocide lobbyt.

In dit ontkenningsgedrag leek de afgelopen jaren langzaam verandering te komen, onder meer door een conferentie over het thema in 2005 op de Istanbulse Bilgi Universiteit. De moord op de Armeens-Turkse journalist Hrant Dink in januari 2007 bracht een golf van verontwaardiging teweeg en verbreedde in Turkije het maatschappelijke draagvlak voor erkenning en verzoening. Een site waarop individuele Turkse burgers hun verontschuldigingen konden aanbieden verzamelde meer dan 30.000 handtekeningen in 2009-2010. Sinds enkele jaren vindt op het Taksimplein in Istanbul op 24 april een herdenking van ‘de gebeurtenissen van 1915’ plaats – weliswaar achter drie rijen ME vanwege de beveiliging, maar toch. Het gebruik van de term genocide leidt echter nog steeds tot heftige reacties, zoals de vervolging van Nobelprijswinnaar Orhan Pamuk vanwege diens uitlatingen over de genocide in een Zwitserse krant in 2005, laten zien.

De gebeurtenissen van de afgelopen weken laten echter zien dat de positie van de Turkse overheid weer aan het verharden is. De natuurkundige wet ‘onder druk wordt alles vloeibaar’ geldt in Turkije precies omgekeerd: des te groter de pressie, des te meer verharding. De vraag is dan ook: hoe reëel is het dat welke Turkse regering dan ook op afzienbare termijn de genocide als zodanig zal erkennen? Het antwoord daarop laat zich niet moeilijk raden, zeker niet na de aanvaarding van de motie van het Europese Parlement afgelopen week en de eensgezinde afwijzende reactie van regering en oppositie op initiatief van de grootste oppositiepartij CHP. Een dergelijke eensgezindheid is in Turkije op ieder ander dossier ver te zoeken. Iedere politicus, ongeacht van welke partij, pleegt politieke zelfmoord door ook maar een millimeter in de richting van erkenning te bewegen. Etyen Mahçupyan, de Turks-Armeense adviseur van premier Davutoğlu, overleefde zijn openbare uitspraak in dezen vorige week in ieder geval (ambtelijk) niet.

Waar zijn de Turken nu precies bang voor? Alle daders zijn dood, financiële compensatie kan met een internationaal verdrag misschien worden afgekocht. Territoriale aanspraken? Geen zinnig mens wil daaraan denken, niet nu en niet in de toch al instabiele regio. Gezichtsverlies, ja dat wel, maar misschien op den duur toch niet groter dan de isolatie en het giftige klimaat dat nu de prijs is die betaald wordt. De Turkse regering lijkt door te hebben dat Turkije nu imagoschade oploopt. Premier Davutoğlu en de minister van Buitenlandse Zaken die momenteel in de VS is, hebben gezegd dat Turken de pijn die de Armenen voelen begrijpen, omdat ze zelf ook hebben geleden tijdens de Eerste Wereldoorlog. Ze geven daarmee aan dat Turkije het leed van de Armenen niet ontkent. De erkenning van het ‘g-woord’ laat echter nog wel op zich wachten, maar de Turkse regering wil toch aangeven dat ze niet ongevoelig zijn voor het huidige debat. De religieuze ceremonie die voor het eerst door Turkije is georganiseerd voor de herdenking van de Armeense slachtoffers is daarom meer dan een symbolische gebeurtenis.

Analyses Turkije Instituut

Het Turkije Instituut publiceert regelmatig analyses over de actualiteit in Turkije